Uit A&G 5: Gelukssteen

Wat ook gezond is? Kleinkinderen! Ik heb er vier. Twee ervan zie ik niet elke dag, want ze wonen in Limburg. De andere twee zitten gelukkig in de buurt. Als ik de stoplichten meeheb en ik rijd een beetje door, dan ben ik in een kwartier bij Iris en Floortje in Vijfhuizen. Geloof mij, die vier zijn de vreugde van mijn oude dag. Zij houden de jeugd in mijn botten. Eertijds had ik een hekel aan het woord "opa". Mocht ik ooit kleinkinderen krijgen, dan zouden zij mij moeten aanspreken met grootvader, beweerde ik. Maar toen Hilleke, de oudste van de vier, voor het eerst met zo'n rond mondje en getuite lippen "opa" tegen mij zei, was ik reddeloos verloren.
Voor die vier heb ik altijd tijd. Maak ik tijd als het moet. Mijn werkkamer ligt op de bovenste verdieping. Als schrijver heb ik rust en stilte nodig. Naast mijn bureau hangt een huistelefoon. Wil beneden iemand iets tegen mij zeggen, dan dient hij of zij eerst op een knop te drukken.
Bij mij klinkt dan een zoemtoon, waarna ik het apparaat inschakel. De kleinkinderen zijn verzot op dat ding. Aan de drift en het ongeduld in de zoemtoon hoor ik al wie mij
wil spreken. "Hai, opa, wij zijn er! Komt u?"
Iris en Floortje uit Vijfhuizen zijn er dus. En wat doe ik?
Midden in een zin houd ik op met schrijven. Ik storm de trap af. Beneden word ik begroet of ze me maanden niet meer gezien hebben. Ze trekken me mee naar mijn fauteuil bij de boekenkast. Ik moet vertellen of voorlezen. Geen seconden rust. Ze verlangen van mij dat ik door mijn stramme knieen zak naast de blokkendoos om samen een toren te bouwen.
Bij redelijk weer nemen ze me mee naar buiten. Om op het gazon te keten. Om te fietsen. Herten te voeren. Ik bedoel maar, niets gaat boven dit warme, altijd vibrerende leven van een kind. Ze genieten, ik geniet, voel me soms een kwajongen. Op die manier kan een mens honderd worden.
"Opa, hoe oud bent u als ik achttien ben?"
"Heel oud," zeg ik naar waarheid.
"Gaat u dan dood?"
Oei! Ik mummel maar wat.
"Opa, ik wil niet dat u doodgaat!"
Ik eigenlijk ook niet, maar op die regel bestaat geen uitzondering. Jaren geleden gaf een Indonesische helderziende mij een gelukssteen uit Bali. Ik moest hem altijd bij mij dragen, zei ze. En wat deed ik, hoewel niet bijgelovig? Bij me dragen! Zonder gelukssteen begon ik niet aan de dag. Maar het onvermijdelijke gebeurde. Ik raakte hem kwijt. Nergens te vinden. Van de aardbodem verdwenen. Tegen beter weten in bleef ik zoeken, te pas en te onpas verzuchtend: "Waar zou dat ding zijn?" Daarbij een onaangenaam gevoel in de hartstreek. Toch een infarctje op de loer?
En dan zit ik op mijn werkkamer. Het wil niet vlotten vandaag. Opeens zoemt mijn huistelefoon. Driftig en vol ongeduld. "Opa, komt u naar beneden? Wij hebben een cadeautje voor u!" Iris en Floortje staan te popelen onder aan de trap. Ze hebben buiten een hartvormig kiezelsteentje gevonden.
"Hier, opa, een nieuw gelukssteentje"
Ontroerd steek ik het in mijn jaszak. Waarom zou dit, met zoveel kinderlijke liefde gegeven steentje mij geen geluk kunnen brengen? Bij een grondige schoonmaakbeurt van mijn auto vind ik later het Balinese steentje terug. Ik loop nu met twee gelukssteentjes rond! En ik houd het maar op de voorspelling van een helderziende uit New York dat ik na mijn tachtigste nog boeken zal schrijven. Iris achttien.
Floortje zeventien. Ik drieentachtig...
De huistelefoon zoemt. Driftig en ongeduldig.
Toon Kortooms











Post new comment