Functie van het gebit

De belangrijkste functie van het gebit is bijten, kauwen en fijnmalen. Zo kan het eten worden doorgeslikt en verteerd. Elk gebit bestaat uit snij- en hoektanden en kiezen. De snijtanden zijn er voor het happen en bijten en het kleinmaken van voedsel. De hoektanden houden het voedsel vast en de kiezen malen het fijn. Van de achterste boven- en onderkiezen zijn de oppervlakken gelijk. Ze passen perfect op elkaar, zodat er goed mee kan worden gemalen.
Het gebit speelt daarnaast een grote rol bij het vormen van klanken (praten, zingen) en is ook sterk bepalend voor het gezicht.
Alle tanden en kiezen hebben eenzelfde opbouw. Het deel dat boven het tandvlees uitsteekt (het zichtbare deel) is de kroon. Het is bedekt met een beschermend laagje glazuur. Het deel dat zich in het kaakbot bevindt, heet de wortel en tussen kroon en wortel zit de hals. Dit kleine stukje wordt bedekt met tandvlees. Het tandvlees zorgt ervoor dat de tanden en kiezen stevig in het kaakbeen blijven zitten. Bovendien beschermt het de wortels tegen gaatjes. De flexibiliteit van de onderkaak is heel belangrijk om goed te kunnen bijten en kauwen. Tijdens het fijnsnijden en vermalen van voedsel beweegt de kaak zich in zes richtingen; naar links en naar rechts, naar boven en naar beneden, en naar voren en naar achteren. Deze bewegingen worden mogelijk gemaakt door het kaakgewricht, dat de onderkaak met de schedel verbindt.















Post new comment