Vrienden en vriendinnen

Ze blijven me begeren, de Almachtigen. Werd er tijdens een vorig bezoek aan Azië een moslima op me afgestuurd, thans ben ik omsingeld door rooms-katholieken.
En het geschiedde in die dagen dat ik vanuit Cambodja neerstreek in Sri Lanka. Na de boeddhisten (70%), Hindoes (15%) en moslims (9%) komen de rooms-katholieken in Sri Lanka met 6% van de bevolking op de laatste plaats van de reli-top5. Maar de Heer is erin geslaagd mij op te nemen in een bruisende enclave van die minderheid, het Rome van dit land: Negombo. Dat niet alleen. Ook heeft Hij een kerk laten bouwen op zo'n 75 meter van mijn hotel. Een kerk met een kleine toren, waaruit het hard beiert. Om 05.30 uur al. Ik - katho opgevoed - weet wat dat betekent. De deuren gaan open voor de H. Mis van 06.00 uur.
Op de eerste ochtend wint mijn nieuwsgierigheid het van de ergernis over het onderbreken van mijn nachtrust.
In de kerk sluit ik aan bij zo’n tweehonderd gelovigen.
De bank is danig uitgesleten. Geen kussentjes.
De oude man naast mij haalt het gebedenboekje uit zijn handen. Hij wijst naar mijn broek. Ik leg een vinger op het logo en steek een duim omhoog: Nike is inderdaad een goed merk. Daar blijkt het niet om te gaan. Het blijkt erom te gaan dat het een korte broek is. En van een korte broek in de kerk wordt O.L. Heer in Sri Lanka niet blij, begrijp ik.
Veel handen van mannen en vrouwengelovigen zijn verweven met een rozenkrans. De vrouwen dragen zonder uitzondering ragfijne sluiers; voiles die in het Westen alleen nog gezien kunnen worden in musea waar ze r.k.-geschiedenis bewaren. De misdienaars gaan gekleed zoals het hoort: pedo-rood toogje en gesteven superplie.
Ik overzie de oude glorie uit mijn Rijke Roomsche Leven, ik merk op dat de priester blootsvoets is, ik vraag me af waarom r.k. kerken wél biechtstoelen hebben waar je wat kwijt kunt maar geen wc's, en dan - of de duvel ermee speelt - voel ik het komen. Ik moet poepen. Snel neem ik de mogelijkheden door. Ik kies voor het kerkplein, een zandvlakte zo groot als een half voetbalveld. Links en rechts kruiswegstaties. Manshoge foeilelijke beelden in toverbalkleuren. Daarachter moet het goed poepen zijn, vermoed ik.
Mijn samengeknepen billen bereiken de achtste statie, die waar Jezus de wenende vrouwen troost. Of zal ik kiezen voor de grotere, meer beschutte Calvarieberg? Nee, die afstand ga ik niet redden.
Terug in de kerk kan ik nog net ter communie, maar ik doe het niet. Ik ben weer eens op dieet. En ik sport weer.
Nou ja, ik wandel.
Op mijn dagelijkse gang passeer ik het ene kapelletje na het andere.Zoals je ze in Limburg langs de weg ziet staan. En in Vlaanderen.
Mensen slaan er in het voorbij gaan een kruis. Soms prevelen lippen. Er zijn er die bloemen leggen.
Of een kaars opsteken. Ik ben op een van mijn wandelingen voorbij gescheurd door een tuk-tuk met achterop de sticker Jesus for power. Mijn weg terug gaat altijd door de Ave Maria Road. In de hal van mijn hotel staat een Mariabeeld waar ze in Lourdes jaloers van kunnen worden.
Kortom: Sri Lanka is in dit deel van het land zo katholiek als de hel.
In de schaduw daarvan overpeins ik mijn verblijf van dertien dagen in Cambodja. Mijn hoofd heeft daar veel leed opgeslagen. Leed, veroorzaakt door de bloedige wijze waarop de Rode Khmer - de militaire tak van de communistische partij - in de jaren zeventig het land probeerde te hervormen.
Groot leed.
Het verhaal van Duong, de eigenaresse van mijn hotel in Siem Reap. 'Negen jaar was ik toen de soldaten van de Khmer mijn vader uit ons huis sleurden. Mijn moeder, mijn broertjes en zusjes.... Allemaal huilden we. Allemaal smeekten we om hem te sparen. Mijn moeder sprong voor de soldaten. Die gooiden haar tegen de grond. Ze knoopten mijn vader met een touw rond zijn middel aan andere mannen met een touw rond hun middel. We wilden meelopen, maar dat mocht niet. Even later hoorden we gillen. En krijsen. En schieten. Mijn moeder is gaan vragen hoe ze mijn vader gedood hadden. 'Gelukkig', zei ze, 'ze hebben hem neergeschoten en niet afgeslacht.' Want de meeste gevangenen werden met knuppels op het hoofd doodgeslagen. Of ze sneden de keel door. Daarmee wilde de Khmer kogels sparen.'
Haar vader was een van de naar schatting tweeënhalf miljoen mensen die vermoord werden; ruim 20% van de bevolking.
Het landmijnenmuseum, 27 kilometer buiten Siem Reap. In de gebouwen is te zien over welke typen de Rode Khmer beschikte. Het totaal aantal dat werd geplaatst is geschat op acht miljoen. Daarvan zijn er nog een paar miljoen niet gedemonteerd. Deskundigen hebben berekend dat het 150 jaar zal duren voor alles is geruimd. Intussen vallen er jaarlijks gemiddeld nog vierhonderd slachtoffers. Voornamelijk boeren en hun gezinsleden, getroffen bij werk op het land.
Op het museumterrein wonen elf kinderen, zwaar verminkt. Ze missen een arm, of een been. De een geheel, de ander gedeeltelijk. De een slechts een van de ledematen, de ander twee. Of drie. Jonge slachtoffers, geadopteerd door museumoprichter en curator Aki Ra.
Als Rode Khmer-soldaat stopte hij duizenden landmijnen in de grond, keerde zich na een paar jaar tegen het regime, vocht tegen vroegere kameraden en begon na de oorlog mijnen op te graven en onschadelijk te maken. Met niks meer dan een bamboestok en een combinatietang trok hij velden en bossen in. Zijn dagrecord staat op eenenvijftig. CNN eerde Aki Ra vorig jaar met een award: World Hero.
Op het parkeerterrein van het museum bedelen invaliden op aftandse krukken. Of in versleten invalidenwagentjes met kettingaandrijving. Geen toerist die er niet om geeft.
Tuol-Sleng in Phnom Penh, de meest beruchte gevangenis die dictator Pol Pot liet openen. In Khmer-code: de S-21. Een voormalige school waarvan de lokalen dienden als martelkamers. Het gebouw is thans 'Genocidemuseum'.
Op sommige plaatsen zijn de ruimten gelaten zoals ze in 1979 bij de bevrijding door de Vietnamezen werden aangetroffen. Smerigheid op vloeren en wanden. Deze geschiedenis mag niet uitgewist worden, is de gedachte. Niets werd overgeschilderd. 'Er zitten ook nog bloedspatten tegen plafonds', las ik ergens. Ik heb ze niet gezien. Wel martelwerktuigen, wel stalen britsen zonder matras, wel krassen in de muren waarvan ik me voorstel dat wanhopigen er nagels op stuk hebben gekrabd.
Voor de balustrades van de verdiepingen zijn netten van prikkeldraad blijven hangen. Ze werden gespannen om te voorkomen dat gevangenen zelfmoord zouden plegen.
Choen Ek, het bekendste van de uitroeiingskampen - de killing fields - 17 kilometer ten zuiden van Phnom Penh.
Een grote boomgaard in agrarisch gebied. Hier zijn bij de massamoorden twintigduizend mensen omgebracht.
De meest gruwelijke herinnering staat een meter of tien overeind: een enorme boom, de takken wijd gespreid. Tegen deze natuurreus sloeg de Rode Khmer kinderen dood. Onderaan de dikke stam een bordje dat dat duidelijk maakt: Killing tree against which executioners beat childeren.
Een hoog uit glas opgetrokken monument zit volgestouwd met opgegraven schedels. Laag na laag, na laag. Er is orde aangebracht in de stapels. Kinderen en volwassenen apart, mannen en vrouwen apart.
Ter bezichtiging ook de kleding waarin stoffelijke resten werden aangetroffen; een lugubere uitdragerij van sarongs, broeken en shirts.
In de expositieruimten overheersen foto's van mensen die hier in een massagraf terecht kwamen, en overgoten werden met DDT voor de totale vernietiging. De Khmer maakte van alle gevangenen twee opnamen, een bij aankomst in de gevangenis en een na de martelingen.
Verdeeld over vele kamers hangen er vijfduizend foto’s van volwassenen en kinderen op weg naar de dood. Er zijn er met radeloze angst in de ogen. Er zijn er die schuchter glimlachen. Eens gezonde gezichten naast verminkte gezichten, maar wel dezelfde gezichten.
Het wordt afgeraden om dit museum te bezoeken met jonge kinderen. Dezelfde waarschuwing krijgen volwassen die snel geëmotioneerd raken.
Cambodja, het werd mij daar droef te moede.
Ik heb er slechts één keer gelachen. Bij een zin uit het in Phnom Penh geruilde boek Gstaad 95-98 van Jarek van der Jagt, die later Arnon Grunberg bleek te zijn.
Die zin? God schiep de mens omdat hij een anus nodig had.
Wees gegroet.
PETER










